Dutch Word: thuis
English Meaning: at home
Listen to Word:

Play Sound

Example Sentences:

Wij waren pas rond middernacht thuis.
We didn't return home until midnight.
[Show Details]
Mijn dochter kwam vandaag huilend thuis van school. "Wat is er gebeurd?" vroeg ik haar.
My daughter came home from school crying today. "What happened?" I asked her.
[Show Details]
Ik ben er ook voor om oud en nieuw thuis te vieren.
I'm also in favour of us celebrating New Year's Eve at home.
[Show Details]
Bij ons thuis maken we vaak soep van de restjes van de vorige dag.
In our house, soup is often made from leftovers from the night before.
[Show Details]
Ik ben thuis. Wat eten we?
I'm home. What is for supper?
[Show Details]
Meestal draag ik thuis een trainingspak.
Normally I wear a tracksuit at home.
[Show Details]
Wanneer is een kind oud genoeg om alleen thuis te blijven?
When is a child old enough to stay home alone?
[Show Details]

Related Words:

het huis

house, home

[Show Details]