Dutch Word: het huis
Plural: huizen
English Meaning: house, home
Listen to Word:

Play Sound

Word Forms: huisje

Example Sentences:

De verwarming in mijn huis lekt.
The radiator in my house is leaking.
[Show Details]
De criminelen hadden in zijn huis ingebroken toen hij drie maanden weg was.
The criminals had broken into his house while he was away for three months.
[Show Details]
Ik woon in dit huis.
I live in this house.
[Show Details]
Ik kom zo vroeg als ik kan naar huis.
I'll come home as early as I can.
[Show Details]
Britten zijn bezeten van het idee een eigen huis te bezitten.
British people are obsessed with the idea of owning a house.
[Show Details]
Ik wil naar huis.
I want to go home.
[Show Details]
Een appel per dag houdt de dokter uit huis.
An apple a day keeps the doctor away.
[Show Details]