Dutch Word: het weekend
Plural: weekends
English Meaning: weekend
Listen to Word:

Play Sound

Example Sentences:

Raad eens wat ik dit weekend heb gedaan?
Guess what I did this weekend?
[Show Details]
Ik neem het weekend vrij.
I will take the weekend off.
[Show Details]
Wil je iets gaan doen in het weekend?
Do you want to do something on the weekend?
[Show Details]
Als je op zoek bent naar een baan, kijk dan in de weekendeditie van een krant.
If you are looking for a job, look at the weekend edition of a newspaper.
[Show Details]
De weekendtrip was fantastisch. Ik heb reusachtig genoten!
The trip on the weekend was fantastic. I enjoyed it immensely!
[Show Details]
Ik ga in het weekend graag fietsen.
I like to go bicycling on the weekend.
[Show Details]

Related Words:

de week

week

[Show Details]