Dutch Word: de tijd
Plural: tijden
English Meaning: time
Listen to Word:

Play Sound

Word Forms: tijdje

Example Sentences:

We hebben niet veel tijd.
We don't have much time.
[Show Details]
Tijd is geld.
Time is money.
[Show Details]
Helaas heb ik geen tijd om je te helpen.
Unfortunately I don't have time to help you.
[Show Details]
In zijn vrije tijd verzamelt hij oude ansichtkaarten.
In his free time he collects old picture postcards.
[Show Details]
Om tijd te besparen, kocht hij zijn diploma via het internet.
To save time he bought his diploma through the Internet.
[Show Details]
Heb je vanavond tijd?
Do you have time this evening?
[Show Details]
De waarde van de Amerikaanse dollar is de laatste tijd aan het dalen.
Recently the value of the US Dollar has been falling.
[Show Details]