Dutch Word: de tuin
Plural: tuinen
English Meaning: garden
Listen to Word:

Play Sound

Example Sentences:

Sinds hij gepensioneerd is, geniet hij ervan in de tuin te werken.
Since he retired, he enjoys working in the garden.
[Show Details]
Wij hebben een pruimenboom in de tuin.
We have a plum tree in the garden.
[Show Details]
Susan heeft een egel in de tuin gevonden.
Susan has found a hedgehog in the garden.
[Show Details]
Voedsel uit eigen tuin smaakt altijd het best.
Food always tastes best when it comes from your own garden.
[Show Details]
Er staat een zonnebloem in mijn tuin.
There is a sunflower in my garden.
[Show Details]