Dutch Word: maar
English Meaning: 1. but 2. only
Listen to Word:

Play Sound

Example Sentences:

Hij spreekt maar een beetje Nederlands.
He only speaks a little Dutch.
[Show Details]
Maar een paar mensen kunnen deze taal spreken.
Only a few people can speak this language.
[Show Details]
Sommige mensen geven wel kritiek, maar kunnen geen kritiek ontvangen.
Some people can dish it out, but can not take it.
[Show Details]
Het spijt me, maar ik sta machteloos.
I'm sorry, but my hands are tied.
[Show Details]
Behalve gisteren, was het alleen maar mooi weer.
Except yesterday the weather was always good.
[Show Details]
De operatie was succesvol, maar hij is nog niet buiten gevaar.
The surgery was successful, but he isn't out of the woods yet.
[Show Details]
Ik maakte maar een grapje.
I was just joking.
[Show Details]