Dutch Word: staan
English Meaning: 1. to be 2. to stand 3. to look
Listen to Word:

Play Sound

Word Forms: gestaan, sta, staat, stond

Example Sentences:

De inhoud van dit boek staat op bladzijde een.
The content of this book is on page one.
[Show Details]
De firma staat op de rand van een faillissement.
The firm is on the edge of bankruptcy.
[Show Details]
Deze straat staat niet op de kaart.
This street is not on the map.
[Show Details]
Bij de rust stond het spel nul-nul.
The game was goalless at halftime.
[Show Details]
De doos staat achter de bank.
The box is behind the sofa.
[Show Details]
Het bedrijf staat op de rand van het bankroet.
The company is on the brink of bankruptcy.
[Show Details]
Er stond een foto van mij in de plaatselijke krant!
There was a picture of me in the local newspaper!
[Show Details]