Dutch Word: kat
Plural: katten
English Meaning: cat
Listen to Word:

Play Sound

Example Sentences:

De kat is gewond.
The cat is injured.
[Show Details]
Mijn kat slaapt altijd bij de verwarming.
My cat always sleeps near the radiator.
[Show Details]
De kat zit onder de tafel.
The cat is under the table.
[Show Details]
De hond zat de kat achterna.
The dog was chasing the cat.
[Show Details]
Die meubelen zijn splinternieuw en mijn kat heeft er al krassen op gemaakt.
That furniture is brand new, and my cat has already scratched it.
[Show Details]
Ze heeft 2 honden en 3 katten.
She has 2 dogs and 3 cats.
[Show Details]
De kat doodde de vogel.
The cat killed the bird.
[Show Details]