Dutch Word: de dokter
Plural: dokters
English Meaning: doctor
Listen to Word:

Play Sound

Example Sentences:

Ik heb een dokter nodig.
I need a doctor.
[Show Details]
Een appel per dag houdt de dokter uit huis.
An apple a day keeps the doctor away.
[Show Details]
De dokter informeerde naar haar gezondheid.
The physician inquired about her health.
[Show Details]
Snel! Roep een dokter!
Quick! Call a doctor!
[Show Details]
Ik heb haar aangeraden naar de dokter te gaan.
I advised her to go to the doctor.
[Show Details]
Wacht niet om naar een dokter te gaan!
Don't delay seeing a doctor!
[Show Details]
De dokter zei dat ik deze tabletten regelmatig moet innemen.
The doctor said I have to take these tablets regularly.
[Show Details]