Dutch Word: de vrouw
Plural: vrouwen
English Meaning: 1. wife 2. woman
Listen to Word:

Play Sound

Example Sentences:

Hij houdt niet meer van zijn vrouw.
He doesn't love his wife anymore.
[Show Details]
Hij schreef een lange brief aan zijn vrouw.
He wrote a long letter to his wife.
[Show Details]
Zijn ouders en ex-vrouw waren op de bruiloft.
His parents were at the wedding as well as his ex-wife.
[Show Details]
Voor een vrouw van haar leeftijd is ze goed in vorm.
She is in good shape for a woman of her age.
[Show Details]
Ik heb eindelijk geleerd het nooit oneens te zijn met mijn vrouw.
I've finally learnt never to disagree with my wife.
[Show Details]
Sinds hij zich moderner kleedt, is hij erg populair bij de vrouwen.
Ever since he dresses more stylishly, he is having much more success with women.
[Show Details]
Zijn vrouw hield deze informatie expres voor zichzelf.
His wife deliberately kept this information to herself.
[Show Details]