Dutch Word: roken
English Meaning: to smoke (a cigarette)
Listen to Word:

Play Sound

Word Forms: rook, rookt, rookten

Example Sentences:

Vanaf morgen stop ik met roken.
From tomorrow I'll stop smoking.
[Show Details]
Ze drinkt veel te veel. Bovendien is ze weer begonnen met roken!
She drinks far too much. In addition, she started smoking again!
[Show Details]
Heb je bezwaar als ik rook?
Do you mind if I smoke?
[Show Details]
Mag ik hier roken?
Can I smoke here?
[Show Details]
Roken is heel schadelijk voor jou en de mensen om je heen.
Smoking seriously harms you and others around you.
[Show Details]
Hij houdt er niet van als je rookt in zijn aanwezigheid.
He doesn't like it if you smoke in his presence.
[Show Details]
Rook jij?
Do you smoke?
[Show Details]