Dutch Word: hij
English Meaning: he
Listen to Word:

Play Sound

Example Sentences:

Hij heeft dorst.
He is thirsty.
[Show Details]
Hij is haar ex-man.
He is her ex-husband.
[Show Details]
Hij spreekt maar een beetje Nederlands.
He only speaks a little Dutch.
[Show Details]
Hij is een thuisblijver.
He is a stay-at-home.
[Show Details]
Hij heeft een nieuwe auto gekocht.
He bought a new car.
[Show Details]
Gisteren heeft hij zijn paspoort verlengd.
He renewed his passport yesterday.
[Show Details]
Hij vermaakt zich duidelijk en neemt zijn succes niet te serieus.
He is clearly enjoying himself and not taking his success too seriously.
[Show Details]