Dutch Word: zich
English Meaning: itself, oneself
Listen to Word:

Play Sound

Example Sentences:

Sinds hij zich moderner kleedt, is hij erg populair bij de vrouwen.
Ever since he dresses more stylishly, he is having much more success with women.
[Show Details]
Ondanks dat hij al over de zestig is, voelt hij zich nog jong.
Even though he is over sixty, he still feels young.
[Show Details]
Onze dochter kan zich in haar eentje vermaken.
Our daughter is capable of occupying herself unattended.
[Show Details]
Hij werkte zich suf om zijn schulden af te betalen.
He worked like crazy to pay off his debts.
[Show Details]
Ze drukte me stevig tegen zich aan en nam toen afscheid.
She hugged me tightly and then said goodbye.
[Show Details]
Ze maakt zich altijd op voordat ze uitgaat.
She always puts on her make-up before going out.
[Show Details]
Zij gaven zich over aan de vijand.
They surrendered to the enemy.
[Show Details]