Dutch Word: terug
English Meaning: back
Listen to Word:

Play Sound

Example Sentences:

Ik bel je terug.
I will call you back.
[Show Details]
Geen probleem. Ik bel je later terug.
No problem. I will call you back later.
[Show Details]
Hij komt morgen terug van zijn reis naar Azië.
He comes home from his trip to Asia tomorrow.
[Show Details]
Wanneer verwacht je haar terug?
When do you expect her back?
[Show Details]
We verhuizen terug naar New York.
We are moving back to New York.
[Show Details]
Ik wil al mijn geld terug.
I want a full refund.
[Show Details]
Egyptische protesteerders trotseerden de avondklok en gingen terug de straat op.
Egyptian protesters defied the curfew and returned to the streets.
[Show Details]