Dutch Word: het werk
Plural: werken
English Meaning: work, job
Listen to Word:

Play Sound

Example Sentences:

Plezier en werk schijnen nauw verweven.
Fun and productivity seem to be tightly intertwined.
[Show Details]
Ik ben op zoek naar werk.
I'm looking for work.
[Show Details]
Hij draagt altijd een das op het werk.
He always wears a tie at work.
[Show Details]
Mijn baas is altijd tevreden over mijn werk.
My boss is always happy with my performance.
[Show Details]
Ik hou van mijn werk, elke dag ontmoet ik nieuwe mensen.
I love my job, every day I meet new people.
[Show Details]
Het was erg druk op het werk vandaag.
Today was a very busy day at work.
[Show Details]
Ik kom te laat op mijn werk.
I'm going to be late for work.
[Show Details]