Dutch Word: iedereen
English Meaning: 1. anybody 2. everybody
Listen to Word:

Play Sound

Example Sentences:

Zij denkt dat iedereen die in God gelooft bijgelovig is.
She thinks that anybody who believes in God is superstitious.
[Show Details]
Iedereen heeft recht op een eigen mening.
Everyone is entitled to their own opinion.
[Show Details]
Iedereen weet dat wortels goed zijn voor je ogen.
Everybody knows that carrots are good for the eyes.
[Show Details]
Iedereen weet dat de zon opkomt in het oosten.
Everyone knows that the sun rises in the east.
[Show Details]
"Iedereen in het dorp praat over je." "Dat kan me niet schelen!", zei ze.
"In the village everyone is talking about you." "I don't care!" she said.
[Show Details]
Het was goed dat iedereen aanwezig was bij de bespreking.
It was good that everyone was present at the meeting.
[Show Details]
De nieuwe regels zullen voor iedereen voordeel opleveren.
The new rules will be of benefit to everyone.
[Show Details]