Dutch Word: vier
English Meaning: four
Listen to Word:

Play Sound

Word Forms: 4

Example Sentences:

We zijn elf jaar getrouwd en hebben vier kinderen.
We have been married for eleven years and have four children.
[Show Details]
Het is half vier.
It's half past three.
[Show Details]
In de Middeleeuwen geloofde men dat de wereld bestond uit vier elementen: aarde, water, lucht en vuur.
In the Middle Ages it was believed that the world consists of four elements: earth, water, air and fire.
[Show Details]
Uit onderzoek blijkt dat één op de vier Europeanen nog nooit een PC heeft gebruikt.
A study revealed that one in four Europeans have never used a PC.
[Show Details]
Ik ben au pair in een gezin van vier.
I'm an au pair for a family of four.
[Show Details]
Ik heb vier dagen niet geslapen.
I haven't slept in four days.
[Show Details]
Hij zal hier om kwart over vier zijn.
He'll be here at a quarter past four.
[Show Details]