Dutch Word: toen
English Meaning: when, then
Listen to Word:

Play Sound

Example Sentences:

Toen brand uitbrak, moesten de gasten en het personeel het hotel verlaten.
Guests and staff were forced to leave the hotel, when a fire broke out.
[Show Details]
De criminelen hadden in zijn huis ingebroken toen hij drie maanden weg was.
The criminals had broken into his house while he was away for three months.
[Show Details]
Ze kreeg astma toen ze vijf jaar oud was.
She developed asthma when she was five.
[Show Details]
Toen ze de kikker kuste, veranderde deze in een knappe prins.
When she kissed the frog, it turned into a handsome prince.
[Show Details]
Ze drukte me stevig tegen zich aan en nam toen afscheid.
She hugged me tightly and then said goodbye.
[Show Details]
Hij raakte in paniek toen hij besefte dat de remmen niet werkten.
He panicked realising that the brakes weren't working.
[Show Details]
Toen ik de sleutel van mijn huis verloren was moest ik de slotenmaker bellen om me er in te laten.
When I lost the key to my house I had to call a locksmith to let me in.
[Show Details]