Dutch Word: gaan
English Meaning: to go
Listen to Word:

Play Sound

Word Forms: aangaan, ga, gaat, gegaan, ging, gingen

Example Sentences:

Ik ga naar school.
I'm going to school.
[Show Details]
Hallo, hoe is het? Het gaat wel.
Hi, how are you? I'm so-so
[Show Details]
Ik ga regelmatig naar de sportschool.
I go to the gym regularly.
[Show Details]
Ik ga wandelen.
I'm going for a walk.
[Show Details]
Hoe gaat het met je? Ik heb je lang niet gezien.
How are you? I haven't seen you for a long time.
[Show Details]
Over één minuut moeten we gaan.
We have to go in one minute.
[Show Details]
Waar ga je naartoe?
Where are you going?
[Show Details]