Dutch Word: een
English Meaning: 1. a, an 2. one
Listen to Word:

Play Sound

Word Forms: ene

Example Sentences:

Hij spreekt maar een beetje Nederlands.
He only speaks a little Dutch.
[Show Details]
Oostenrijk is een klein land.
Austria is a small country.
[Show Details]
Hij is een thuisblijver.
He is a stay-at-home.
[Show Details]
Hij heeft een nieuwe auto gekocht.
He bought a new car.
[Show Details]
Ik werk in een bank.
I work in a bank.
[Show Details]
Ik lees een boek.
I'm reading a book.
[Show Details]
Dit is een van de bekendste onopgeloste misdaden van de laatste eeuw.
This is one of the greatest unsolved crimes of the last century.
[Show Details]