Ik ben 's avonds erg moe.

I'm very tired in the evening.    [Show Details]
Spreek je Engels?

Do you speak English?    [Show Details]
Ik studeer in Nederland.

I'm studying in the Netherlands.    [Show Details]
Dit boek is erg interessant.

This book is very interesting.    [Show Details]
Jij leert erg snel.

You learn very fast.    [Show Details]
Deze leraar is erg streng.

This teacher is very strict.    [Show Details]
De bagage is zwaar.

The luggage is heavy.    [Show Details]
Mijn leraar is erg oud.

My teacher is very old.    [Show Details]
Ik ga naar school.

I'm going to school.    [Show Details]
Waar woon je?

Where are you from?    [Show Details]
Spreek je Nederlands?

Do you speak Dutch?    [Show Details]
Ik woon in Nederland.

I live in the Netherlands.    [Show Details]
Ik ben in Amsterdam geboren.

I was born in Amsterdam.    [Show Details]
Ik ben leraar.

I'm a teacher.    [Show Details]
Ik leer veel op de universiteit.

I learn a lot at the university.    [Show Details]
Ik ben twintig jaar getrouwd.

I have been married for twenty years.    [Show Details]
Mijn broer is getrouwd.

My brother is married.    [Show Details]
Ik lees een boek.

I'm reading a book.    [Show Details]
Ik werk in een bank.

I work in a bank.    [Show Details]
Wil je met me naar de bioscoop?

Do you want to go to the cinema with me?    [Show Details]
Hoe oud ben jij?

How old are you?    [Show Details]
Ik leer Nederlands.

I'm learning Dutch.    [Show Details]
Ik ben twintig jaar.

I'm twenty years old.    [Show Details]
Ik heet Sanne.

My name is Sanne.    [Show Details]
Ik heb nu veel honger.

I'm very hungry now.    [Show Details]
Dit was onze grootste uitdaging.

This has been our biggest challenge.    [Show Details]
Ik mis je.

I miss you.    [Show Details]
Ik hou van jou.

I love you.    [Show Details]
Hij heeft een nieuwe auto gekocht.

He bought a new car.    [Show Details]
De computer werkt niet meer.

The computer is not working anymore.    [Show Details]
Op dit moment kijk ik televisie.

I'm watching TV at the moment.    [Show Details]
Zij heet Marian.

Her name is Marian.    [Show Details]
De auto is rood.

The car is red.    [Show Details]
Het dier is vannacht gestorven.

The animal died last night.    [Show Details]
Hij is een thuisblijver.

He is a stay-at-home.    [Show Details]
Laat me niet alleen.

Do not leave me.    [Show Details]
Het is niet jouw schuld.

It is not your fault.    [Show Details]
Oostenrijk is een klein land.

Austria is a small country.    [Show Details]
Dat is niet toegestaan.

That is not allowed.    [Show Details]
Ik werk bij Philips.

I work for Philips.    [Show Details]
Ik woon in Amsterdam.

I live in Amsterdam.    [Show Details]
Hij spreekt maar een beetje Nederlands.

He only speaks a little Dutch.    [Show Details]
Ik ben Nederlands.

I'm Dutch.    [Show Details]
Ik kom uit Utrecht.

I'm from Utrecht.    [Show Details]
Ik spreek Italiaans.

I speak Italian.    [Show Details]
Hij is haar ex-man.

He is her ex-husband.    [Show Details]
Raad eens wat ik dit weekend heb gedaan?

Guess what I did this weekend?    [Show Details]
Mijn website is eindelijk online.

My web site is finally online.    [Show Details]
Dit is top secret.

This is top secret.    [Show Details]
Het museum is erg interessant.

The museum is very interesting.    [Show Details]
Mijn vader is leraar.

My father is a teacher.    [Show Details]
De universiteit ligt ver weg.

The university is far away.    [Show Details]
Ik verveel me.

I'm bored.    [Show Details]
Hij heeft dorst.

He is thirsty.    [Show Details]
Deze auto is erg snel.

This car is very fast.    [Show Details]
Het kind huilt.

The child is crying.    [Show Details]
De kat is gewond.

The cat is injured.    [Show Details]
« Previous12...23242526